analyse> Groei, ecologie en een verlangen naar tevredenheid

‘The ecology, stupid!’

De ecologische crisis dwingt ons na te denken over hoe we ons als mens in de natuur opstellen, en hoe we onze economie moeten organiseren. Dat stellen studenten Maarten Huybrechts en Vincent Cuypers.

Gepubliceerd

In de 'klimaatcolumn' geeft elke keer een student of personeelslid van de universiteit vanuit zijn of haar expertise een kijk op een actueel milieuprobleem. 

Het is jammer dat economen en ecologen nog steeds zo weinig met elkaar praten. Economie en ecologie gaan immers in wezen over hetzelfde. Beide termen zijn afgeleid van het Griekse ‘Oikos’, dat huis betekent. Beide zijn bezig met de wetten en wetmatigheden die het functioneren van het collectieve huis, of huishouden bepalen. Ze gebruiken alleen de term ‘wetten’ in een verschillende betekenis. De ‘logos’ van de eco-logie wijst op de interne, natuurlijke wetmatigheden die het natuurlijke huishouden - organismen in relatie tot elkaar en tot hun omgeving - bepalen, terwijl de ‘nomos’ van eco-nomie betrekking houdt tot de door de mens zelf ingestelde wetmatigheden die bepalen hoe de mens zijn deel van dat huishouden organiseert. Wat we niet mogen vergeten echter, is dat die menselijke ‘nomos’ de natuurlijke ‘logos’ van het grotere geheel moet respecteren, anders loopt het mis.

Dat is exact wat we vandaag meemaken. En dat dwingt ons de ‘nomos’, de principes waarop onze economie gebouwd is, te herdenken. Bijvoorbeeld het centrale principe van groei. Heel de economie, van individuele ondernemingen tot het grote geheel, de machine draait maar als ze groeit. Als die groei er even niet is, schieten we meteen in paniek, en gaat de zaak in crisis. Zo vergroot je conjunctuurschommelingen onnodig uit. Anderzijds is een blinde focus op groei ook onverzoenbaar met de ecologische realiteit.

Volgens de Britse econoom Kate Raworth - bekend van de ‘donut-economie’ - moeten we het groeiparadigma vervangen door een paradigma van evenwicht, en wel een evenwicht tussen twee grenzen: een ondergrens, die van de welvaart die je nodig hebt om goed en gezond te leven, en een bovengrens, die van de draagkracht van de aarde. In feite is dat de essentie van duurzame ontwikkeling, een door industrie vaak uitgehold begrip: voldoen aan de noden van het heden, zonder de toekomst in het gedrang te brengen.

Het is de essentie van duurzame ontwikkeling om te voldoen aan de noden van het heden zonder de toekomst in het gedrang te brengen

En daar zijn heel wat argumenten voor. Eenvoudig gesteld hangt de totale milieubelasting (MB) af van de gemiddelde vervuiling per eenheid van welvaart (M), de gemiddelde welvaart (W) per persoon en de bevolking (B). Om de ecologische situatie beheersbaar te houden moet je elk van die drie factoren onder controle hebben. In het klimaatdebat woedt vaak een discussie over hoe ver we komen met die eerste factor. Volgens de technologiesector valt het probleem volledig op te lossen door met innovatie en creativiteit die factor M te verkleinen. Intuïtief lijkt het echter zo dat die technologische vergroening ooit op haar grenzen zal stoten, en dat ook de factoren welvaart en bevolking zullen moeten worden aangepakt.

Dat wordt ook bevestigd door ecologische modellen. Vraagstukken omtrent groei staan centraal in de ecologie en ook voor de mens kunnen we daar heel veel uit begrijpen. In een ecosysteem waarin er oneindig veel voedsel aanwezig is, toont een populatie een exponentiële groei. In de wiskundeles legt men dat vaak uit aan de hand van konijntjes: als elk konijntje even veel afstammeling heeft, dan neemt het aantal konijnen aan duizelingwekkende snelheid toe. Ecosystemen met onbeperkte voedselvoorraden bestaan echter niet, en dus moet de draagkracht in het model worden binnengebracht, het maximaal aantal individuen dat het ecosysteem in leven kan houden. Als de populatie de volledige draagkracht benut, dan moet de groei stoppen, anders kom je in een situatie van overshoot en dreigen de konijnen te verhongeren.

Soorten gaan daar op verschillende manieren mee om. In een stressvolle context – bijvoorbeeld als er veel bosbranden zijn, hebben soorten er belang bij zich niet te veel van zaken als draagkracht aan te trekken, en vooral snel en veel voort te planten. De sterftegraad is in ieder geval hoog en van overshoot moet je dan niet wakker liggen. Dat noemen we een r-strategie. Veel insecten zijn bijvoorbeeld r-strategen. Als die ecologische stress er echter niet is, dan is het interessanter om je populatiegroei te limiteren en af te stellen op de draagkracht van het systeem en die draagkracht zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Dat noemen we een K-strategie. De mens is door middel van haar technologische ontwikkeling in staat om ecologische stress te reduceren en is dus de K-strateeg bij uitstek.

Om ons binnen de draagkracht van ons ecosysteem ideaal te ontwikkelen moeten we de milieubelasting M reduceren, maar even goed het welvaartsniveau en de demografie - die twee blijken overigens inherent gerelateerd - in het oog houden. In de ecologie gaan zo’n processen via evolutie, goedschiks of kwaadschiks, maar wij kunnen ons verstand gebruiken om zelf de juiste strategieën te bepalen.

Als de populatie de volledige draagkracht benut, dan moet de groei stoppen, anders kom je in een situatie van overshoot en dreigen de konijnen te verhongeren

Iets dat daarbij vaak tegen kritiek op groei wordt ingebracht, is dat toch we moeilijk kunnen stoppen met de economie te doen groeien, zolang er in de wereld armoede en honger is. Daar zit wat in, maar veel is ook een kwestie van het gebruik van verdeling. In het voedselvraagstuk bijvoorbeeld klinkt steeds dat we meer en meer zullen moeten produceren om de bevolking te voeden. Eenvoudige rekensommen tonen echter dat dat niet helemaal waar is. Als we alleen naar granen kijken – nog los dus van heel wat andere gewassen – zien we dat er zo’n 360 kg per persoon per jaar wordt geproduceerd. Het minimum om hongersnood te vermijden is 200kg. Als er vandaag hongersnood is, is dat dus in wezen geen kwestie van te weinig productie, maar ook een kwestie van hoe we die productie gebruiken en verdelen, en verspilling kunnen terugdringen.

Uiteraard zit de veeteelt daar voor iets tussen, maar het gaat om de denkoefening. Met BBP is dat juist hetzelfde. In termen van koopkrachtpariteit is het globale BBP nu $17.000. Dat mag hoger, maar we moeten leren over absolute, en niet alleen over relatieve getallen na te denken. En over verdeling. De idee van ‘trickle-down economics’, de idee dat als de rijken rijker worden, de armen uiteindelijk ook wel rijker zullen worden, bevat een grond van waarheid, maar is gruwelijk inefficiënt, juist omdat het vraagstuk van de verdeling uit de weg wordt gegaan.

De idee van een economie – en een ecosysteem – in evenwicht raakt ten slotte ook een filosofische snaar. We zullen - in het model van Raworth - moeten definiëren hoeveel welvaart exact genoeg is. De vraag is of wij mensen, de soort van altijd meer en beter, op alle vlakken, dat kunnen. De ontwikkeling van de mens is immers, zoals de Romeinse filosoof Lucretius ook beschrijft, het gevolg van onze voortdurende ontevredenheid. We vinden steeds nieuwe dingen uit om na te streven, omdat we niet tevreden kunnen zijn met wat we hebben. In het begin is dat volgens Lucretius terecht, maar na een tijd wordt dat zinloos. Zonder een vacht om zich heen is de mens naakt en kwetsbaar. Maar een met goud geborduurde purperen mantel is misschien niet nodig als we nog een schapenvacht hebben.

Het epicurisme – Lucretius is een epicurist par excellence – is interessant omdat het net als onze samenleving vandaag, genot nogal centraal plaatst. Maar het toont dat het niet neutraal is hoe je dat genot percipieert. Je kan steeds meer en verder gaan. Of je kan jezelf aanleren om met de kleine dingen die je hebt tevreden te zijn. Dat laatste is, aldus Lucretius, veel belangrijker.

De ontwikkeling van de mens is volgens Lucretius het gevolg van onze voortdurende ontevredenheid. We vinden steeds nieuwe dingen uit omdat we niet tevreden kunnen zijn met wat we hebben

We pleiten er niet voor - zoals sommigen - het kind met het badwater weg te gooien, maar wel voor een grondige denkoefening. Het is tijd om de loopgraven te verlaten en verschillende belangen en perspectieven te integreren, en de ‘nomos’ weer beter af te stemmen op de ‘logos’. Niet met grote revoluties, maar door met een open geest en zonder gekheid correcties aan het systeem aan te brengen. We kunnen maar dromen. Dromen geven immers richting aan daden, welke wetten en bezwaren er ook in de weg staan.

Maarten Huybrechts is student burgerlijk ingenieur. Vincent Cuypers is student duurzame ontwikkeling en redacteur opinie bij deze krant.

Powered by Labrador CMS